2006
Na getreuzel en gepieker om wat nooit of ooit aan de orde komt, besloot ik mijn atelier op te zoeken. De zon had zich toegeslagen op mijn witte vellen papier na al die tijd van mijn afwezigheid. Eerst was er distantie. Vreselijk die plek die van zichzelf geworden -of gebleven- was, los van mijn schijnlijke onmisbaarheid. Ik was er al die tijd niet, maar toch is er heel wat gebeurd. Of dat nou ligt aan mijn afwezigheid of aan het atelier's afwezigheid van/ voor mij? Ik liep binnen en PATS! Een klap in mijn gezicht. Nu is er in de tussentijd (2,5 weken?) ook wat licht ontnomen d.m.v. deels naar beneden geschoven zonnewering waar ik niet zelf bij de bediening kan. En het is nu laat op de avond waardoor er een ongewone rust heerst. Ik ben een vreemde, al is het een 'ietwat vreemde'. Ik schrik van mijn gevoel. Het is zo duister. De ruggen van mijn werk staan me toegekeerd. Bruingeblakerd door de zon. Ik heb met ze te doen. "Sorry jongens, maar nu ben ik er weer!" Niets reageert. Het is stilgeslagen. Doods. Zelfs de stoel plakte even aan de vloer toen ik hem optilde, zó lang stond hij daar.
ik ga nog even naar de zee en dan verberg ik me
(© Lonneke Kerkhoven, 2006)
